 |
Ik ben verkouden. |
 |
Ik heb het te druk met mijn verslag. |
 |
Ik heb toevallig die dag een 40-jarige bruiloft. |
 |
Ik ga met een vriendin naar Parijs. |
 |
Ik werk vrijdags bij AH. |
 |
Ik ga precies op die dag verhuizen. |
 |
Ik heb toevallig de dag er voor een bruiloft. |
 |
Ik heb toevallig de dag er na een bruiloft. |
 |
Ik moet me voorbereiden op het tentamen van maandag. |
 |
Ik heb die dag een hertentamen. |
 |
Ik heb die dag een rijexamen. |
 |
Ik heb de dag ervoor rijexamen en na het feest ben ik te schor. |
 |
Ik heb mijn verslag al opgestuurd en heb de aantekeningen toen opgeruimd. |
 |
Ik vertrek die dag naar de wintersport. |
 |
Ik heb al een afspraak bij mijn afstudeer-bedrijf. |
 |
Ik heb die dag een sollicitatie gesprek. |
 |
Ik moet die dag bij mijn volgende stage bedrijf beginnen. |
 |
... |